
In de afgelopen lente bevond ik mij met fotocamera en statief in een oud klooster in Napels, ingegraven tussen stapels vergeelde brieven met zwierig krullende letters uit 1832 en 1833. Hoe was ik daar terechtgekomen? Een Belgische advocaat en historicus had mij gevraagd om foto’s te maken van een briefwisseling uit het begin van de negentiende eeuw. Die brieven bevonden zich in het Napolitaanse Archivio di Stato.
Deze had hij nodig voor het jaarboek van de geschiedkundige kring van het plaatsje Rumst, vlakbij Antwerpen. Hij wilde hiervoor een artikel schrijven over een vroegere burgemeester van dat plaatsje, Godfroid de Vries Vermylen (Antwerpen, 1796-1867). Deze koopman was in zijn leven, behalve burgemeester, ook honorair viceconsul van het Koninkrijk der Twee Siciliën. En zo kwamen er brieven van zijn hand in Napels terecht.
Koetsen en schepen
Het artikel is onlangs verschenen, en geeft een mooi inzicht in het leven van een diplomaat, die een roerige periode twee werelden met elkaar verbond. Noord- en Zuid-Europa lagen toen veel verder uit elkaar: de reis was lang, oncomfortabel en gevaarlijk. De brieven werden waarschijnlijk met koetsen en schepen vervoerd, want de eerste spoorlijn van Italië (van Napels naar het koninklijk zomerpaleis in Portici) zou pas worden aangelegd in 1839.

En nu reisde ik, per trein, ongeveer dezelfde route terug, van het Koninkrijk der Nederlanden naar het Koninkrijk Napels. Het archief bevond zich in een prachtig gebouw, een van de oudste kloosters van de stad, Monastero dei Santi Severino e Sossio, met maar liefst vier binnentuinen. In de Napoleontische tijd, in 1808, is het een archief geworden.
Kat in het archief
Er waren wel wat hobbels op mijn pad. Op de eerste dag van mijn bezoek aan het archief dreigde het al mis te gaan. Na een uitgebreide studie van mijn paspoort en het invullen van een stuk of tien formulieren in de imposante, met marmer beklede entreehal, verdwaalde ik in het gebouw. Het archief bleek zich te bevinden op de derde verdieping, aan een galerij rondom een grote binnentuin met citrusbomen.


Nadat ik door een kat werd begroet, die tussen de kasten met eeuwenoude boeken door aan kwam drentelen, kwam ik onder de hoede van maar liefst zes archiefmedewerkers, die mij neerzetten achter een computer uit de tijd van Windows 95, waarop ik de archiefmappen moest aanvragen.
Toen ik daar eindelijk mee klaar was, bleek het net te laat te zijn voor de aanvraag. Dat kon namelijk alleen tussen 8.30 en 8.45 uur gebeuren, en het was nu 8.50. Zou ik om 14.00 uur terug kunnen komen? De moed zakte mij in de schoenen. Ik had maar een paar dagen de tijd voor het maken van de foto’s; zo ging ik het niet redden.
Op smekende toon vroeg ik of er niet toch nu al iets mogelijk was. ‘Vooruit, we maken een gróte uitzondering’ (‘una grande eccezione’), besloot de oudste archivaris van dienst. Maar, dat gebeurt dan wel op ‘zeer informele wijze’. Ik hoefde niet lang te wachten. Vijf minuten later keerden de zes medewerkers met alle archiefmappen terug uit het depot.
Sinaasappelnetten
Ik zal nooit vergeten hoe ze aan kwamen lopen door de galerij, met de pakken papier bungelend aan de dikke touwen die eromheen gebonden waren, alsof het netten met sinaasappels waren. De 200 jaar oude brieven waren daardoor aan de randen omgekruld, stoffig en aangetast door vocht.

Het contrast kon niet groter zijn met het Tivoli-archief waar ik in diezelfde periode aan werkte. Daar waren de geknutselde posters en krantenberichten uit de jaren ’80 keurig in zuurvrije mappen verpakt, in speciale archiefdozen.
Nu moest ik elk kwartier mijn handen wassen, omdat ze zwart werden van het soort vulkanische stof waar de brieven mee bedekt waren.
En wie was de gelukkige ontvanger van de brieven van Godfroid? De afzender was de minister van buitenlandse zaken van het Koninkrijk der twee Siciliën, Antonio Statella di Cassaro, die daarnaast – uiteraard – ook een prins was.
Spanningen en revoluties
Zowel in Italië als België, die beiden nog niet in de huidige vorm bestonden, waren het toen roerige tijden. Het zuiden van Italië maakte dus nog deel uit van een koninkrijk, dat werd geregeerd door de Bourbons. Daarvan was Napels de hoofdstad. In die tijd waren er veel spanningen tussen voor- en tegenstanders van de heersende dynastie.
Ook België was ten tijde van de brieven nog niet het land dat we nu kennen. Het woonde nog gezellig samen met zijn noorderburen in het Koninkrijk der Nederlanden. Maar daar was niet iedereen het mee eens. In Brussel was in 1830 de revolutie aangebroken, die daarna naar Antwerpen oversloeg, en zou eindigen in de onafhankelijkheid van België.
Een ‘homo novus’
Wie was deze Vlaamse diplomaat nu eigenlijk? Godfroid, ook wel Godefridus genoemd, en Goffredo in het Italiaans, wordt in het artikel getypeerd als een ‘homo novus’. Hij was een sociale klimmer, iemand die niet tot de traditionele elites behoorde, maar er wel toe wist toe te treden. Van beroep was hij handelaar. Zijn dubbele naam kreeg hij door te trouwen met de welgestelde Marie Catherine Vermylen. Niet alleen omdat het toen modieus was om als man de naam van je echtgenote toe te voegen, ook was dat voor hem gunstig als koopman. Hiermee toonde hij immers aan dat hij over het krediet van twee families kon beschikken.
Hij produceerde en verkocht ‘azuur’, oftewel synthetisch ultramarijn, een blauwsel waarmee witte was nog witter gemaakt kon worden. Zijn handelskantoor had hij gevestigd in de voormalige Schipperskapel in de haven van Antwerpen. Naast of na het burgemeesterschap van Rumst had hij vele nevenfuncties, waaronder dus honorair viceconsul van het koninkrijk in Napels.

Scheepvaartverkeer en cholera
Het is niet bekend hoe hij deze functie kreeg, en of hij zelf het Italiaans machtig was, of dat hij hier een vertaler voor inzette. De brieven gingen met name over het scheepvaartverkeer en zaken die hier invloed op konden hebben, zoals de verspreiding van besmettelijke ziekten in Antwerpen, zoals cholera, en de activiteiten in de Antwerpse haven.
Godfroid schreef ook over de spanningen die de revolutie teweegbracht. Hij vertelde dat hij, ondanks de angst dat zijn huis vernietigd zou worden door een bombardement, had besloten om het niet te verlaten. Toen hij in blijdschap melding maakte van de capitulatie van het Nederlandse leger, voegde hij hieraan toe dat een Siciliaans schip, volgeladen met fruit, gelukkig het geteisterde Antwerpen had kunnen vermijden en kon aanleggen in Oostende.
Vlot leesbaar Italiaans
Het viel mij tijdens het fotograferen op hoe vlot leesbaar de prachtig gekrulde letters in de brieven nog zijn; het verschilt bijna niet van het hedendaagse Italiaans. Het taalgebruik is uiteraard wel zeer formeel – elke brief begint met ‘Eccellenza’, en eindigt met ‘l’ubbidientissimo servidore (uw zeer gehoorzame dienaar) De Vries Vermylen’.


Voorafgaand aan mijn vertrek naar Napels had ik de schatting gemaakt, aan de hand van de omvang van het archief, dat ik 10.000 brieven zou moeten fotograferen. Eén van de vier archiefmappen was echter zoek, en Godfroid bleek maar twee jaar als viceconsul te hebben gewerkt. Het bleef dus bij 700 foto’s, en ik was al binnen twee dagen klaar. Daardoor had ik ruim de tijd om alle koninklijke verblijven rondom Napels te gaan bewonderen: het zomerpaleis in Portici en het indrukwekkende ‘Versailles van de Bourbons’ in Caserta.
De brieven van de prins aan de viceconsul werden waarschijnlijk in het al in 1600 gebouwde ‘hoofdpaleis’ in het centrum van Napels geschreven. Daar is nu de Biblioteca Nazionale gevestigd. Ik bracht er veel tijd door toen ik daar tegenover woonde, en er mijn hoofdstuk schreef voor de tentoonstelling over Max Beckmann in het Kunstmuseum.
Of Godfroid zelf ooit de toen zo lange reis naar Napels heeft gewaagd, is niet bekend. Wellicht komt dat in een nieuw onderzoek nog naar boven, want er wordt gewerkt aan een vervolgartikel over zijn activiteiten als handelaar.
Tekst en foto’s Vera de Lange. Met dank aan mr. Frank Judo.
